Artillerie door de jaren heen
Tijdens de periode van Maurits (Tachtigjarige Oorlog) werd de artillerie compleet geherstructureerd. Voorheen was men aangewezen op een groot ratjetoe van diverse soorten kanonnen en kalibers. Dit maakte dus ook het vervaardigen van de lopen en de opslag van kanonskogels zeer duur. Maurits zorgde ervoor dat er nog maar 4 standaard maten gangbaar werden: 48-ponder (kartouw), 24-ponder (halve kartouw), 12-ponder (veldstuk) en de 6-ponder (valkonet). De benaming XX-ponder slaat overigens op het gewicht van de kogel die gebruikt werd. De gewichten varieerden van zo'n 1.000 kg voor een 6-ponder tot 3.500 kg voor een 48-ponder. De maximale schootsafstanden waren zo'n 2 tot 3,5 kilometer, afhankelijk van de grootte van het kaliber. Gemiddeld konden deze kanonnen 10 schoten per uur lossen. Na 30 schoten moest het kanon 1 uur afkoelen.

Gedurende de revolutionaire en
napoleontische oorlogen veranderde veel in de artillerie. Waar het een
specialisme was, gedomineerd door technici, werd het een belangrijke tak van de
strijdkrachten, die veldslagen domineerde. Om een voorbeeld te geven. Het Franse
leger van Italië had in 1796 60 stuks artillerie. Zestien jaar later, bij de
slag van Borodino was de complete artillerie (aan beide kanten) 1200 stuks
sterk, met een vuurkracht van 15.000 salvo’s per uur. En dat op een front wat
2 mijl lang was.
Artillerie in de 18-de eeuw was groot en log. De meeste legers konden hun stukken niet zelf verplaatsen, wat ze overlieten aan burger-medewerkers, die niet dol waren op geweld. Dat heeft mening stuk vertraging of schade opgeleverd voordat er een schot was gelost. In de zestiger jaren van de 18de eeuw werd de complete franse artillerie opnieuw ontworpen en gestandaardiseerd door Jean Baptiste Grimbeauval. Het resultaat was lichtere stukken en betere munitie. In andere delen van Europa werden kanonnen eveneens gestandaardiseerd.
Demonstratie
in het Archeon (2001)
Toen Frankrijk in de revolutionaire chaos stortte was de artillerie volledig up-to-date, compleet met nieuw getrainde kanonniers en officieren. Na 1800 bleek het een groot voordeel voor de artillerie dat Napoleon Bonaparte, hun nieuwe bevelhebber, een van die getrainde artillerie officieren was. Franse artillerie was het neusje van de zalm en het moreel van de kanonniers was ongekend hoog. Meer agressieve tactieken kwamen in het spel. Waar artillerie eerder slechts ondersteunend was, werd het een belangrijke en hoogste destructieve factor in de strijd.
De positie van de artillerie was van cruciaal belang. Het lijkt het meest logisch om vanaf een heuvel te schieten, vanwege het goede overzicht. In de Napoleontische tijd kwam men er al snel achter dat het veel effectiever was om op gelijke hoogte (lees, borsthoogte) te vuren. De kogel raakte in zijn vlucht de eerste rijen van de infanteristen. Zelfs als een kogel landde en verder stuiterde brak hij nog links en rechts armen en benen. Gelijke, gladde en harde bodem was bij kanonniers favoriet! Menige infanterie aanval kon door een welgemikt kanonschot acuut tot staan worden gebracht.

Het eindeloze gerommel van
kanonnen op een slagveld is iets wat in deze eeuw normaal gevonden wordt. Een
Russische boodschapper die ten tijde van de slag van Borodino het slagveld over
moest steken, noteerde in zijn dagboek vol verbijstering dat hij zijn mond open
had moeten houden om de druk in zijn oren van de voortdurend knallende kanonnen
te stabiliseren. In de Napoleontische tijd was het eindeloze gerommel nieuw. Sindsdien
is oorlogsvoering zonder artillerie ondenkbaar.